Frankrijk: gaat de regering de goedkeuring van de euthanasiewet afdwingen?
Het Franse wetsvoorstel inzake „hulp bij het sterven“ is zojuist aan zijn derde lezing in de Nationale Assemblee begonnen. Terwijl een consensus tussen afgevaardigden en senatoren over een dergelijke legalisering van euthanasie en hulp bij zelfdoding steeds onwaarschijnlijker lijkt, is het nu de vraag of de regering de Nationale Assemblee zal toestaan deze hervorming erdoor te drukken.
Het wetsvoorstel keert terug naar de Nationale Assemblee nadat de gemengde commissie er niet in is geslaagd een akkoord te bereiken tussen de afgevaardigden en de senatoren. Het voorstel, dat momenteel in de commissie wordt besproken, zal vanaf maandag 22 juni in openbare zitting worden behandeld. Vanaf 7 juli zal de Senaat overgaan tot de derde lezing, tijdens een buitengewone zitting die in principe door de president van de Republiek wordt bijeengeroepen.
Mocht de Senaat opnieuw niet akkoord gaan met de door de Nationale Assemblee aangenomen tekst, dan heeft de regering de mogelijkheid om de volksvertegenwoordigers het laatste woord te geven. Hoewel de minister, belast met de relaties met het parlement deze mogelijkheid onlangs heeft bevestigd, zwijgt premier Sébastien Lecornu hierover.
Dit wetsvoorstel werd op 27 mei 2025 in tweede lezing door de Assemblée aangenomen, maar vervolgens op 12 mei 2026 door de Senaat verworpen. De moeilijkheid om tot een akkoord te komen weerspiegelt een filosofische en antropologische kloof binnen de Franse samenleving, tussen degenen die euthanasie beschouwen als een medische en maatschappelijke schending, en degenen die het recht verdedigen dat de staat hen de middelen geeft om te sterven. Volgens Bruno Retailleau, fractieleider van Les Républicains in de Senaat, "is het aan de Fransen om deze antropologische kwestie te beslechten" via een referendum. Philippe Vigier, algemeen rapporteur van de tekst in de Assemblée, heeft zich daarentegen vastberaden getoond om de tekst in zijn huidige vorm aangenomen te krijgen.
Hulp bij zelfdoding of, bij gebrek daaraan, euthanasie
Het wetsvoorstel beoogt de Code de la santé publique (Wetboek van Volksgezondheid) te wijzigen door "hulp bij het sterven" op te nemen in de rechten van de patiënt, net als een behandeling of zorg. Veel parlementsleden vragen om deze bepaling te schrappen, omdat ze vinden dat "actieve hulp bij het sterven", door het leven van de patiënt vrijwillig te beëindigen, in geen geval als zorg kan worden beschouwd.
Bovendien wordt de uitdrukking "hulp bij het sterven" verkozen boven de term "euthanasie", die door Olivier Fallorni, de hoofdauteur van het wetsvoorstel, als "bezoedeld door de geschiedenis" wordt beschouwd, of boven "hulp bij zelfdoding". Toch gaat het in feite wel degelijk om hulp bij zelfdoding, aangezien de tekst bepaalt dat de patiënt in principe zelf de dodelijke stof toedient. Indien de patiënt niet in staat is om een dergelijke handeling zelf uit te voeren, is in de mogelijkheid voorzien dat de arts of een andere zorgverlener euthanasie pleegt door het dodelijke middel aan de patiënt toe te dienen. Deze twee vormen van geplande dood worden door sommigen gelijkgesteld aan andere vormen van begeleiding van mensen in de laatste levensfase: "Het is een extra mogelijkheid", aldus Brigitte Liso, een van de vijf rapporteurs van de commissie. Het gelijkstellen van hulp bij het sterven aan een vorm van begeleiding aan het levenseinde lijkt echter in tegenspraak met de roeping van het medisch personeel om mensen te verzorgen en te begeleiden tot het einde. Fundamenteler nog is dat deze semantische keuze verhult dat dergelijke "hulp" bij het sterven in werkelijkheid neerkomt op het opzettelijk veroorzaken van de dood van de patiënt.
Unanimiteit over palliatieve zorg, groeiende onenigheid over geplande dood
Terwijl de politieke verdeeldheid over "hulp bij het sterven" toeneemt naarmate de parlementaire behandeling vordert, is de wet op de palliatieve zorg in februari unaniem aangenomen in de Assemblée en in mei 2026 met een overweldigende meerderheid in de Senaat. Deze stemmingen toonden aan dat er een brede consensus bestaat over de noodzaak dat mensen in de laatste levensfase toegang hebben tot optimale zorg op medisch, psychologisch, sociaal en, indien van toepassing, spiritueel vlak.
Het wetsvoorstel inzake hulp bij zelfdoding en euthanasie wakkert daarentegen de verdeeldheid weer aan en maakt het onderscheid tussen beide benaderingen onduidelijk: in het ene geval gaat het om begeleiding naar de dood met zo min mogelijk lijden, in het andere geval om het vroegtijdig veroorzaken van de dood. "Door de grens te overschrijden die het laten sterven scheidt van het doden, schendt dit recht het fundamentele verbod om de dood te veroorzaken. Dit verbod is geen archaïsch overblijfsel, het is het fundament waarop het vertrouwen van de patiënt in de zorgverlener rust, en meer in het algemeen de bescherming van elke kwetsbare persoon tegen druk, zelfs welwillende druk, om zijn leven te verkorten”, aldus Annie Vidale, afgevaardigde van Renaissance.
Een van de criteria die in de tekst zijn opgenomen, is het feit dat men "in staat moet zijn om zijn wil op een vrije en weloverwogen manier kenbaar te maken". Wanneer iemand in een situatie van groot lijden verkeert (de verzoeker moet "lijden aan een ernstige en ongeneeslijke aandoening, in een terminale, onomkeerbare fase verkeren, en voortdurend fysiek en psychologisch lijden ondervinden als gevolg van deze aandoening..."), kunnen we ons afvragen of de patiënt wel in staat is om een werkelijk vrije aanvraag in te dienen, zeker gezien de moeilijke omstandigheden (bedden die sluiten, gebrek aan personeel, lijden, kwetsbaarheid). Zou het niet de taak van de staat zijn om elke Fransman toegang tot zorg te bieden, alvorens een recht op verlichting door de dood voor te stellen?
Het is duidelijk dat de kloof groter wordt tussen de unanieme steun voor palliatieve zorg en het gebrek aan consensus om het voorstel over “hulp bij sterven” goed te keuren, terwijl de meerderheid die voor deze tekst is, bij elke herlezing kleiner wordt. De centrale vraag blijft of de premier gebruik zal maken van zijn recht om het laatste woord te geven aan de Nationale Assemblee. Het zal echter nog steeds de vraag zijn of hij een dergelijke doorbraak kan rechtvaardigen bij een onderwerp dat zo fundamenteel is en verdeeldheid zaait is op antropologisch en maatschappelijk vlak.