België: Adviescommissie Bio-ethiek voor de uitbreiding van de voorafgaande wilsverklaring inzake euthanasie naar personen die niet meer in staat zijn om zelf te beslissen
In een advies van 10 november 2025 raadt het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek unaniem aan om de wet betreffende euthanasie te wijzigen, zodat het toepassingsgebied van de wilsverklaring inzake euthanasie kan worden uitgebreid. Het Comité stelt voor dat euthanasie op basis van een wilsverklaring kan worden toegepast bij personen die bij bewustzijn zijn, maar wier vermogen om zelf te beslissen en hun wil kenbaar te maken onherstelbaar is aangetast als gevolg van een ongeval of een ziekte.
Het gaat meer bepaald om personen met een neurodegeneratieve aandoening (Alzheimer, de ziekte van Huntington, Parkinson, enz.) en mensen met een hersenletsel (bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval of een beroerte) die zeker willen zijn dat – voordat hun vermogen om te beslissen en om zich uit te drukken te zeer wordt aangetast –d zij euthanasie kunnen krijgen wanneer zij in een situatie terechtkomen zoals zij die in een wilsverklaring hebben beschreven.
Op dit moment kunnen deze personen euthanasie krijgen op basis van een actueel verzoek, aan het begin van hun ziekte, wanneer zij nog zelf in staat zijn om te beslissen . De enige situaties waarin een verzoek om euthanasie op basis van een wilsverklaring zou kunnen worden ingewilligd, zijn een comateuze of vegetatieve toestand die als onomkeerbaar wordt beschouwd.
Het 82 pagina's lange advies getuigt van een grondige afweging van het lijden van de betrokken patiënten en het beeld van deze aandoeningen in de samenleving. Er zijn verschillende deskundigen gehoord, gespecialiseerd in palliatieve zorg of verschillende vormen van neurodegeneratieve aandoeningen. Op de eerste bladzijden van het advies worden de moeilijkheden beschreven om euthanasie toe te passen bij patiënten op basis van een wilsverklaring.
Een van de belangrijkste ethische kwesties die het Comité terecht aanhaalt, is dat een eventuele uitbreiding van de wet het “reeds overheersende negatieve beeld van personen met dementie” zou kunnen versterken. Zoals het Comité aangeeft door te verwijzen naar een studie uit 2020, “blijkt de beoordeling van de levenskwaliteit van mensen met dementie over het algemeen minder goed te zijn wanneer dit gebeurt door familieleden en zorgverleners dan wanneer mensen met dementie dit zelf beoordelen”.
Een ander risico dat het Comité benadrukt, is dat de inspanningen om de patiënt zijn lijden te verlichten – terwijl er mogelijkheden zouden zijn om dat lijden te verlichten – worden verminderd zodra men zich concentreert op zijn voorafgaand verzoek om te sterven.
De beschrijving van de maatschappelijke en medische context en de aangehaalde voorbeelden onderstrepen de grote complexiteit van de problematiek. De centrale vraag is: waar situeren we de autonomie en de wil van deze patiënten? Situeren we die in de voorafgaande verklaring of in de houding ten opzichte van het leven die zij zullen leiden op het moment dat de vraag om euthanasie zich voordoet?
Het Comité raadt aan om "de voorafgaande verklaring te beschouwen als een drievoudige veronderstelling:
- het blijvend karakter van het verzoek om euthanasie, dat vrijwillig, weloverwogen en zonder druk door de ondertekenaar is gedaan, mits het in overeenstemming is opgesteld met het wettelijk kader;
- het complexe lijden dat volgens de patiënt voortvloeit uit het plotselinge of geleidelijke verlies van zijn vermogen om voor zichzelf te beslissen als gevolg van een ongeval of een ziekte;
- het verwachte ondraaglijke karakter van dit lijden, zodra de gevolgen van de ziekte één of meer duidelijk vastgestelde en door de betrokkene in zijn voorafgaande verklaring beschreven drempels bereiken.
Over de weerlegbaarheid van deze drievoudige veronderstelling bestaat echter geen consensus in het Comité en hierover zal de wetgever moeten beslissen.
Een aandachtige lezer van het advies zal ongetwijfeld het omslagpunt in de uiteengezette redenering opmerken (blz. 44): het Comité is van mening dat, aangezien de huidige wetgeving geen antwoord biedt op alle situaties van lijden van deze personen, , de voorafgaande verklaring van euthanasie moet worden uitgebreid tot deze patiënten. De centrale vraag voor het Comité wordt dan ook : onder welke voorwaarden zou euthanasie van deze patiënten op basis van een voorafgaande verklaring ethisch aanvaardbaar zijn?
Kritische opmerkingen
Het is belangrijk om de volgende vraag te stellen: is het de bedoeling van de wet om een antwoord te bieden op alle vormen van lijden, aangezien lijden ontologisch verbonden is met het mens-zijn? Is het de bedoeling dat euthanasie op termijn een “antwoord” biedt op alle vormen van ongeneeslijk lijden? Bestaat het risico niet dat we de lijdende persoon uit de weg ruimen door elk spoor van lijden te willen uitroeien?
De vraag die het Comité herhaaldelijk stelt, is of er rekening moet worden gehouden met de wil die in de voorafgaande verklaring is uitgedrukt of met de wil die de patiënt op dat moment uitdrukt, zelfs in een vergevorderd stadium van dementie. Maar waarom zou de ondraaglijkheid van het lijden anders moeten worden beoordeeld dan in een actuele situatie?
Het argument van onrechtvaardigheid (of ongelijke behandeling) ten opzichte van mensen die “gedwongen zouden worden om zo snel mogelijk euthanasie te vragen” komt herhaaldelijk terug in het advies.
Maar in plaats van het toepassingsgebied van de wilsverklaring te vergroten, moeten we ons dan niet afvragen of euthanasie mogelijk moet zijn voor deze mensen die weliswaar “te vroeg sterven”, maar besluiten te sterven op basis van een toekomstig te verwachten lijden?
Zouden we hen niet uit dit dilemma moeten bevrijden door te stellen dat hun lijden op dat moment niet ondraaglijk is (toekomstige of zelfs hypothetische situatie)? De door het Comité aangehaalde situaties getuigen trouwens voor het merendeel van een duidelijke evolutie en aanvaarding bij de patiënt ten opzichte van de situatie waarin hij zich bevindt.
Het advies baseert zich op verschillende auteurs om een onderscheid te maken tussen de kritieke belangen (verbintenissen en waarden, met name verwoord in de wilsverklaring inzake euthanasie) van een persoon en zijn ervaringsbelangen (huidig vermogen om pijn en plezier te voelen). Wanneer beide soorten belangen uiteenlopen, aan welke belangen moet dan voorrang worden gegeven? En wat als de waarden van de persoon in de loop van zijn levenservaring aan verandering onderhevig zijn?
Op dit punt bestaat er onenigheid tussen de leden van het Comité: sommigen zouden de wilsverklaring tot euthanasie willen toepassen, zelfs als de patiënt de huidige situatie lijkt te aanvaarden, uit respect voor de waarden die in illo tempore in de verklaring zijn vermeld. Met andere woorden, de euthanasie zou worden uitgevoerd, zelfs als de patiënt niet bevestigt dat hij wil sterven, of zich zelfs verzet tegen de euthanasie. Andere leden van het Comité zijn van mening dat de wil van de patiënt opnieuw moet worden beoordeeld in het licht van zijn huidige levenservaring, met name in de situatie dat hij een zekere levensvreugde lijkt te ervaren.
Het Comité laat de beslissing aan de wetgever over of het vermoeden dat de voorafgaande verklaring tot euthanasie zou vormen, weerlegbaar is of niet. Zelfs indien dit vermoeden als weerlegbaar zou worden beschouwd, is het aan de wetgever om te bepalen aan wie (aan de arts?) de uiteindelijke beslissing toekomt om de verklaring (euthanasie) al dan niet toe te passen.
We vermelden ook nog dat de uitbreiding van euthanasie tot gevallen van gevorderde dementie is opgenomen in het regeerakkoord . Het is dan ook waarschijnlijk dat het advies van het CCBB de discussie hierover in de Kamer van Volksvertegenwoordigers opnieuw zal aanwakkeren en voeden.