My Voice My Choice: heeft de Europese Commissie besloten om grensoverschrijdende abortussen binnen de EU te financieren?
Op 26 februari jongstleden heeft de Europese Commissie haar officiële reactie gegeven op het Europees burgerinitiatief (EBI) „My Voice My Choice“ (MVMC). Dit standpunt werd met spanning verwacht, aangezien dit initiatief gevoelige kwesties aan de orde stelde op het snijvlak van recht, ethiek en de bevoegdheden van de Unie.
Het ICE, dat in september 2025 officieel bij de Commissie werd ingediend na meer dan een miljoen handtekeningen van Europese burgers te hebben verzameld My Voice My Choice maakt deel uit van een activistische beweging die tot doel heeft de toegang tot abortus binnen de Europese Unie te verbeteren. Meer bepaald werd de Commissie gevraagd een financieringsmechanisme voor te stellen dat vrouwen in staat stelt een abortus te ondergaan in een andere lidstaat wanneer dit in hun land van herkomst niet mogelijk is.
Dit initiatief is gebaseerd op de nationale verschillen in de wetgeving inzake abortus. Het beroept zich dus op het argument van gelijke toegang tot gezondheidszorg en vrij verkeer om een Europese interventie te rechtvaardigen op een gebied dat nochtans onder de bevoegdheid van de lidstaten valt.
Een positief antwoord... op het eerste gezicht
In haar officiële mededeling geeft de Europese Commissie niet aan het verzoek van MVMC af te wijzen. Zij wijst op het gebruik van het Europees Sociaal Fonds (ESF+), als financieringsmechanisme van de EU aan de lidstaten, als instrument om de kosten in verband met abortus te dekken. Daarom acht de Commissie het niet nodig om een nieuw specifiek financieringsinstrument in te voeren dat bestemd is voor de dekking van de kosten van grensoverschrijdende abortus.
In werkelijkheid komt deze mededeling van de Commissie, zoals overigens door bepaalde partnerorganisaties van My Voice My Choice is aangeklaagd, neer op een negatief antwoord op het verzoek dat in het Europees burgerinitiatief is geformuleerd.
Een impliciete uitbreiding van de bevoegdheden van de EU?
De Commissie is namelijk van mening dat zij geen rechtshandeling kan voorstellen die in de door MVMC gewenste richting gaat, vanwege de beperkingen van haar bevoegdheden, met name op het gebied van gezondheidszorg.
Deze weigering zou op het eerste gezicht kunnen worden gezien als een bevestiging van het subsidiariteitsbeginsel, volgens hetwelk kwesties in verband met gezondheid en de organisatie van de gezondheidszorg in de eerste plaats onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen.
Een aandachtige lezing van het antwoord onthult echter een subtielere ontwikkeling. Door te verwijzen naar de bestaande financiële instrumenten (het ESF+) en de mogelijkheden die deze zouden kunnen bieden, lijkt de Commissie te suggereren dat de Europese Unie, althans indirect, over hefbomen beschikt op het gebied van toegang tot abortus.
Volgens haar zou artikel 168, lid 5, van het Verdrag betreffende de werking van de EU, dat de Unie bevoegdheid verleent op het gebied van "financiële steun voor gezondheidszorg", ook "gezondheidszorg op het gebied van seksualiteit en voortplanting die in een lidstaat is toegestaan, met inbegrip van diensten in verband met legale abortus" omvatten. Het opnemen van abortus in de categorie "gezondheidszorg" is echter een politieke en ethische keuze die geenszins vanzelfsprekend is.
In dit perspectief kan de redenering van de Commissie worden geïnterpreteerd als een impliciete bevestiging van een vorm van bevoegdheid van de Unie op een gebied dat nochtans wordt beschouwd als behorend tot de democratische en soevereine keuze van elke lidstaat.
Het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+): een instrument dat voor andere doeleinden wordt gebruikt?
Het bestaande financiële instrument dat door de Europese Commissie wordt voorgesteld als een antwoord op de vraag van MVMC is het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+). Dit instrument, dat is ontworpen om werkgelegenheid, sociale inclusie en opleiding in de lidstaten en bepaalde regio's te ondersteunen, zou volgens de Commissie kunnen worden ingezet om de kosten van abortus te financieren. Het zou dan aan elke lidstaat zijn om hierover een beslissing te nemen, zonder dat dit verplicht wordt opgelegd aan alle landen die ESF+-middelen ontvangen.
Een dergelijk beroep op het ESF+ roept verschillende kritieken op. Enerzijds strookt dit niet met het oorspronkelijke doel van het ESF+, zoals vastgesteld door de lidstaten. Anderzijds zou het een vorm van omzeiling van de democratische processen kunnen vormen, doordat het mogelijk maakt om gevoelige beleidsmaatregelen te financieren zonder expliciete goedkeuring van de nationale wetgevers, of zelfs van het Europees Parlement of de Raad van Ministers van de EU.
Bovendien lijkt het erop dat de nationale en regionale financiering die onder het ESF+ valt, zonder onderscheid gericht is op alle personen die zich op het grondgebied van de betrokken staat of regio bevinden, ongeacht hun nationaliteit of woonplaats. In deze logica zou de vergoeding van de kosten in verband met abortus via het ESF+ alleen mogelijk zijn als deze mogelijkheid wordt geboden aan elke vrouw die in het betreffende land een abortus wenst te ondergaan, en niet alleen aan vrouwen uit het buitenland.
Zoals de Commissie in haar antwoord aangeeft, „moet elk EU-financieringsmechanisme volledig neutraal blijven ten aanzien van de plaats van herkomst/woonplaats van de patiënten en mag het zich niet specifiek richten op vrouwen uit lidstaten waar de betreffende abortus wettelijk niet is toegestaan”. Met andere woorden, hoewel de Commissie het ESF+ als een middel presenteert om grensoverschrijdende abortus te financieren, zoals MVMC had gevraagd, verduidelijkt zij dat dit financiële instrument in de praktijk door elke vrouw die in het betreffende land een abortus wil ondergaan, moet kunnen worden ingeroepen, ongeacht of zij daar woont of niet.
Meer symbolische dan praktische gevolgen?
Op dit moment blijven de concrete gevolgen van het besluit van de Commissie onzeker. Hoewel het erop lijkt dat bepaalde lidstaten of regio’s het ESF+ blijkbaar al gebruiken om abortus op hun grondgebied te financieren, valt nog te bezien in hoeverre deze bevestiging door de Commissie van een dergelijk gebruik van het ESF+ andere lidstaten zal aanmoedigen om hetzelfde te doen, met name ten aanzien van vrouwen uit het buitenland.
Meer fundamenteel, afgezien van het grotendeels hypothetische karakter van de concrete impact ervan, heeft het antwoord van de Commissie een belangrijke symbolische reikwijdte, in zoverre dat het suggereert dat abortus onder de bevoegdheid van de EU valt en dat deze laatste legitiem in staat is om het omzeilen van nationale wetgeving op dit gebied toe te staan. Door grensoverschrijdende toegang tot deze in vele opzichten gevoelige praktijk financieel te stimuleren, bekrachtigt de Commissie in zekere zin het idee van vrij verkeer en "bio-ethisch toerisme" binnen de EU, waardoor de keuzes die elke lidstaat op dit gebied heeft gemaakt, onwerkzaam worden.
Bovendien blijkt uit dit initiatief en uit het antwoord van de Commissie ten gunste van een vergemakkelijkte toegang tot abortus in de hele EU dat er vanuit de EU een gebrek is aan concreet beleid – zowel financieel als sociaal – ter ondersteuning van zwangere vrouwen die zich in een zeer kwetsbare situatie bevinden en geconfronteerd worden met een ongewenste zwangerschap.