
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) spreekt zich niet uit over het wettelijkheidsaspect van het draagmoederschap als vorm van medisch begeleide voortplanting.
Het Hof geeft toe dat er binnen de Raad van Europa geen consensus bestaat over de wettigheid van het draagmoederschap noch over de wettelijke erkenning van de ouder-kindrelatie tussen de wensouders en de kinderen die op die manier rechtsgeldig in het buitenland zijn geboren zijn en verwekt uit de gameten van een man en een eicel van een donormoeder.
Gezien de ethische vragen die bij het draagmoederschap aan de orde zijn, beschikken de lidstaten van de Raad van Europa over een ruime beoordelingsmarge, zowel inzake de toelaatbaarheid van deze voortplantingswijze als voor de erkenning van de afstammingsband tussen de wensouders en de kinderen die op die wijze rechtsgeldig in het buitenland zijn verwekt. Het Hof is echter van oordeel dat deze beoordelingsmarge beperkter kan zijn omdat de afstamming tot de ‘wezenlijke aspecten van de identiteit van een persoon' behoort.
Het Europees Instituut voor Bio-ethiek biedt u een samenvatting van de rechtspraak van het EHRM over dit onderwerp:
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het draagmoederschap